fragment Kleine jongens in het groot

In de tijd dat ik Boudewijn Büch voor het eerst begon te lezen, was ik negentien en woonde ik op een studentenkamer in het Groningse plaatsje Haren. Ik had geen tv, maar las wel veel. Een vriendin raadde me 'Het dolhuis' aan. Ik kocht een exemplaar en werd vanaf het begin gegrepen door het verhaal. Wat me met name aansprak was de somberheid, de treurigheid en de blues die uit de roman naar voren kwam. Ik herkende ook veel van mezelf in Winkler: de moeizame omgang met mensen, getob met vrouwen, de liefde voor tekst en voor boeken. Ik reisde nog wel niet zoveel als Winkler, maar hield wel van reizen en was ervan overtuigd dat ik later, als ik wat meer geld zou hebben, wel veel zou gaan reizen.
Ik begon nu ook Büchs andere boeken te lezen, eerst de romans, later de reisboeken. En ik raakte gefascineerd door de persoon Boudewijn Büch. In een interview las ik dat Büch zichzelf een slechte schrijver vond omdat hij alleen over zichzelf kon schrijven. Hij had geen fantasie en kon zich niet inleven in andere personages. Mijn vermoeden werd bewaarheid: Winkler, dat was Boudewijn, dus Boudewijn dat was ik! Niet dat we hetzelfde waren, helemaal niet. Ik kon niet schrijven zoals Büch, hij was veel meer belezen, hij wist veel meer dan ik, maar in de basis waren we hetzelfde. Ik voelde me met Büch verwant en wilde niets liever dan in contact met hem komen. Tegelijkertijd durfde ik dat niet. Wat zou ik met hem kunnen bespreken.
Ik wist niets van verre landen. Van de Nederlandse literatuur wist ik wel wat, maar bij lange na niet zoveel als hij en over buitenlandse literatuur wist ik al bijna niets. Maar toch: als Büch mij zou leren kennen, zou hij mij vast aardig vinden en zou er waarschijnlijk zelfs vriendschap tussen ons mogelijk zijn. Maar hoe ik op een subtiele manier met hem in contact zou kunnen komen: daar had ik geen idee van.